Effectbeoordeling

Bodemligging & sedimenthuishouding

In onderstaande tabel zijn de relevantie invloeden weergegeven die in paragraaf 4.2 zijn beschreven. Vervolgens is aangegeven of de betreffende invloed een risico op significant negatieve gevolgen met zich meebrengt of juist een bijdrage levert aan de Natura 2000-opgave. Onder de tabel is dit nader toegelicht en is aangegeven met welke aandachtspunten en randvoorwaarden in vervolgbesluiten rekening gehouden moet worden.

Tabel 5-2 Beoordeling significant negatief effect bodemligging & sedimenthuishouding

Invloed

Beoordeling

Gebruiksfase IRM

Ruimtebeslag

Geen risico

Door een hogere rivierbodem stijgt het grondwaterpeil. Deze gebieden krijgen een hogere natuurkwaliteit. De omvang van geschikte leefgebieden neemt in potentie toe. Dit draagt bij aan het oplossen van knelpunten ten aanzien van te kleine arealen.

Samenhang

Geen risico

Door een hogere rivierbodem stijgt het grondwaterpeil. Deze gebieden krijgen een hogere natuurkwaliteit. De omvang van geschikte leefgebieden neemt in potentie toe. Dat vergroot ook de omvang van de corridors en stapstenen. Dit draagt bij aan het oplossen van knelpunten ten aanzien van versnippering.

Rivierdynamiek

Geen risico

Door hogere bodemligging nemen onder andere inundatiefrequenties toe. Dit zorgt ook voor meer sedimentatieprocessen in de uiterwaarden. In de huidige situatie is beperkte rivierdynamiek in veel gebieden een knelpunt, bijvoorbeeld omdat er nu te weinig afzetting is van zandig substraat. Een versterking van de rivierdynamiek heeft een positieve bijdrage aan de Natura 2000-opgave.

Verdroging

Geen risico

Met een hogere rivierbodemligging zal ook de grondwaterstand in aanliggende uiterwaarden stijgen. Dit biedt geen volledige oplossing voor het verdrogingsprobleem. Verhoging van de rivierbodem draagt wel bij aan het oplossen van de opgave (minder verruiging van natte habitats en dus een kwaliteitsverbetering). Door rivierbodemverhoging komt het maaiveld nog dichter bij het grondwater te liggen en ontstaat er meer ruimte voor natte habitats.

Invloed

Beoordeling

Aanlegfase IRM

Stikstofdepositie

Risico

Door inzet van materieel zal er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden lokaal sprake zijn van tijdelijke stikstofdepositie. Omdat de maatregelen ten behoeve van bodemligging en sedimenthuishouding vooral betrekking hebben op de hoofdstroom van de rivieren staat hier niet of beperkt afname van stikstofdepositie als gevolg van het uit gebruik nemen van landbouwgrond tegenover. Dat komt onder 5.2.2 aan bod.

Verstoring

Risico

Mogelijke maatregelen betreffen suppleties in de hoofdstroom van de rivieren. Dit is onder andere het leefgebied van habitatrichtlijnsoorten als zeeprik, rivierprik, elft en zalm. Verstoring op grote schaal of aantasting van het leefgebied van deze soorten kan significant negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen en moet dus worden voorkomen.

Samenvattend kan geconcludeerd worden dat maatregelen in het kader van bodemligging en sedimenthuishouding een positieve bijdrage hebben op de Natura 2000-doelen en in de eindfase geen risico heeft op significant negatieve gevolgen op de Natura 2000-gebieden. Erosie in het zomerbed, de dalende rivierbodem en de daarmee samenhangende lagere grondwaterstanden in de uiterwaarden en daarbuiten leiden tot verdroging van uiterwaarden. Het verhogen van het zomerbed is daarmee een belangrijke maatregel om het knelpunt van verdroging in de uiterwaarden tegen te gaan. Dit is reeds aangetoond in een verkennende studie naar kansrijke maatregelen voor behoud en ontwikkeling van (natte) natuur in de Gelderse Poort (RHDHV, 2023). Het draagt bij aan herstel van de verstoorde rivierdynamiek en vergroot de potentie voor realisatie van natte riviernatuur. Dat is nodig om uiteindelijk het knelpunt van te kleine arealen en versnipperde leefgebieden in de Natura 2000-gebieden op te kunnen lossen met meer ruimtelijke maatregelen in de uiterwaarden.

Aandachtspunten voor de aanlegfase

Verstoring

Negatieve gevolgen voor (verstoringsgevoelige) soorten zijn veelal te voorkomen door vooraf voldoende onderzoek te doen naar het voorkomen van soorten in het plangebied en op basis daarvan kwetsbare perioden en schadelijke uitvoeringswijzen te mijden, de werkzaamheden gefaseerd in tijd en ruimte uit te voeren of tijdig mitigerende maatregelen te treffen. De ervaring leert dat het altijd wel mogelijk is om tot een uitvoerbare werkwijze te komen. Dit is een aandachtspunt voor de verdere uitwerking van dit beleid en heeft geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van het IRM, die uiteindelijk nodig is om de Natura 2000-opgave te behalen.

Stikstofdepositie

De inzet van materieel voor de uitvoering van de werkzaamheden leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie zolang materieel wordt gebruikt dat werkt op fossiele brandstoffen. De ontwikkelingen rondom technieken voor een emissiearme uitvoering van onder andere grondwerkzaamheden en dijkversterkingen zijn volop gaande. De verwachting is dan ook dat de emissie van stikstof als gevolg van inzet van materieel in de toekomst steeds kleiner zal zijn en dat het materieel wellicht emissieloos kan worden.

Om voldoende ruimte te creëren voor de ontwikkeling van een en klimaatbestendig rivierecosysteem worden in het streefbeeld alle buitendijkse landbouwgronden in de hotspots omgezet in natuur of natuurinclusieve landbouw. Daarnaast zal ook merendeel van de rivierverruimende maatregelen plaatsvinden ter hoogte van landbouwgronden. Het stopzetten van het landbouwkundig gebruik leidt tot een permanente afname van stikstofdepositie. Naar verwachting is deze permanente afname ruim voldoende om de gevolgen van tijdelijke en beperkte toename door de inzet van materieel op te heffen. Dit zal verder uitgewerkt moeten worden in de verschillende gebiedsuitwerkingen die opgesteld gaan worden, waarbij ook aandacht moet zijn voor belasting van gebieden buiten het rivierengebied. Dit aspect heeft geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van het IRM die uiteindelijk nodig is om de Natura 2000-opgave te bealen.

Afvoer- & bergingscapaciteit

Op welke wijze de afvoer- en bergingscapaciteit wordt versterkt om een klimaatrobuust riviersysteem te ontwikkelen is op dit moment niet bekend. Dit wordt nader uitgewerkt in integrale gebiedsontwikkelingen. Dat maakt risico-inschatting op significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden lastig. De nadruk ligt daarom op randvoorwaarden en aandachtspunten die significante gevolgen kunnen voorkomen en die vervolgens nader uitgewerkt moeten worden in concrete beleidsuitwerkingen en gebiedsontwikkelingen.

Tabel 5-3 Beoordeling significant negatief effect afvoer- & bergingscapaciteit

Invloed

Beoordeling

Gebruiksfase IRM

Ruimtebeslag

Geen risico

Maatregelen ten behoeve van de afvoer- en bergingscapaciteit betreffen enerzijds maatregelen als uiterwaardverlaging, nevengeulen, zomerkadeverlaging en dergelijke waardoor de rivier meer ruimte krijgt en er ook ruimte is voor meer natuurontwikkeling in de uiterwaarden. Dit biedt ruimte voor vergroting van te kleine arealen van bijvoorbeeld ooibos en stroomdalgraslanden. Deze ruimte gaat grotendeels ten koste van landbouwgronden.

Ruimtebeslag

Risico

Er zijn echter ook Natura 2000-doelen zoals grasetende watervogels van de Rijntakken die de landbouwgronden gebruiken als foerageergebied. Deels zal het verdwijnen van dit foerageergebied opgevangen worden door nieuw foerageergebied in de vorm van plas-drasgebieden, overstromingsgraslanden en nevengeulen. Door ontstaan van nieuw open water in de uiterwaarden kunnen ook nieuwe foerageergebieden bereikt worden. De draagkracht van het rivierengebied voor grasetende watervogels zal door grootschalige omvorming van landbouw naar natuur wel veranderen. Het verdwijnen van landbouwgrond is niet uitsluitend het gevolg van IRM. Ook andere ambities, zoals NPLG, zullen leiden tot een afname van het landbouwgebied. IRM biedt voldoende speelruimte in het toekomstige landgebruik (zoals natuurinclusieve landbouw) en herinrichting van het rivierengebied dat dit geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid.

Samenhang

Geen risico

De ruimte die ontstaat voor natuurontwikkeling in het rivierengebied door bijvoorbeeld uiterwaardverlaging en aanleg van nevengeulen zal de samenhang tussen leefgebieden versterken. Dit verkleint het knelpunt van versnippering en geïsoleerde ligging van bepaalde habitats en leefgebieden, mits hier aandacht voor is bij de verdere uitwerking van de rivierverruiming.

Rivierdynamiek

Geen risico

Door maatregelen als uiterwaardvergravingen en kadeverlagingen neemt de inundatiefrequentie en -duur van uiterwaarden toe. Ook komen grondwaterstanden hoger en dichter bij het maaiveld te liggen. Voor de gestuwde riviertakken, de Nederrijn-Lek en het grootste deel van de Maas, neemt de rivierdynamiek minder toe. De stuwen zorgen hier namelijk voor een beperkte uitwisseling van sediment tussen de hoofdgeul, oevers en uiterwaarden. Al met al zullen rivierverruimende maatregelen bijdragen aan de Natura 2000-opgave door de toename aan rivierdynamiek in de uiterwaarden.

Rivierdynamiek

Risico

In het rivierengebied komen ook laagdynamische gebieden voor waar een toename van rivierdynamiek niet direct bijdraagt aan de Natura 2000-opgave. Het PAGW (onderdeel van IRM) voorziet echter wel in het duurzaam verder ontwikkelen van de belangrijkste moerasgebieden in het Rijnstrangengebied (binnendijks gelegen) en IJsseldelta. Deze gebieden zijn belangrijk voor moerasvogels. Verspreid in het rivierengebied zijn ook amfibieën als kamsalamander gevoelig voor verhoging van de inundatiefrequentie en -duur. Wanneer door grootschalige maatregelen in het rivierengebied onvoldoende rekening wordt gehouden met deze laagdynamische natuur bestaat er een risico dat onvoldoende leefgebied behouden blijft met mogelijk significant negatieve gevolgen. Dit is een aandachtspunt voor de uitwerking van rivierverruimende maatregelen in vervolgbesluiten.

Verdroging

Geen risico

Door uiterwaardverlaging zal het maaiveld dichter bij het grondwater komen te liggen. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van natte habitats. Samen met de verhoging van de inundatiefrequentie en -duur draagt dit bij aan het realiseren van de Natura 2000-opgave. Dat geldt met name in gebieden waar door verdergaande erosie de afstand tussen de rivier en de uiterwaarden is vergroot. Op dergelijke locaties is vooral in het groeiseizoen sprake van verdroging van de uiterwaarden. Voor bovenstaande locaties zal uiterwaardverlaging bijdragen aan een vermindering van het verdrogingsprobleem.

Stikstofdepositie

Geen risico

Door omvorming van landbouwgrond naar natuur, met name in de vier hotspots van PAGW, zal ook de stikstofdepositie permanent dalen. Met name wanneer deze locaties nabij schrale habitattypen als glanshaverhooiland en stroomdalgrasland liggen draagt dit bij aan het verminderen van de overbelasting in deze gebieden. Bijkomend zal ook uitspoeling van meststoffen via het grondwater verminderen en zo ook bijdragen aan het verminderen van de vermestende invloed van de landbouw.

Invloed

Beoordeling

Aanlegfase IRM

Stikstofdepositie

Risico

Door inzet van materieel zal er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden lokaal sprake zijn van tijdelijke stikstofdepositie. Tegelijkertijd zal veelal sprake zijn van maatregelen die ten koste gaan van landbouwgrond. Door het uit gebruik nemen van landbouwgronden zal de stikstofdepositie permanent dalen. Naar verwachting is deze permanente afname ruim voldoende om de gevolgen van tijdelijke en beperkte toename door de inzet van materieel op te heffen.

Verstoring

Risico

Maatregelen vinden vooral plaats in de uiterwaarden waar tijdens de uitvoering sprake kan zijn van verstoring. In hoeverre er sprake is van negatieve gevolgen is geheel afhankelijk van de wijze van uitvoering en de periode van uitvoering. Ook het tegelijkertijd uitvoeren van verschillende werkzaamheden in het rivierengebied kan hierbij een rol spelen, met name als alternatieve leefgebieden niet voldoende beschikbaar zijn en als soorten geen ruimte hebben om hun leefgebied tijdens de werkzaamheden tijdelijk te ontvluchten.

De doelstelling van het IRM is om een klimaatrobuust rivierecosysteem te realiseren waar bestaande knelpunten, zoals te weinig rivierdynamiek en verdroging, worden opgelost. Dit is een essentiële stap om de Natura 2000-opgave te realiseren, ook voor de toekomst wanneer klimaateffecten een steeds grotere impact hebben op de natuuropgave. Belangrijke voorwaarden (condities) voor het herstel van de natuurlijke dynamiek zijn het voorkomen van verdere bodemerosie, verhoging van de bodemligging van de rivier en verlaging van uiterwaarden en zomerkades. Rivierverruiming is een belangrijke maatregel om de rivierbodemerosie te beperken, en de daaraan gerelateerde knelpunten in de Natura 2000-opgave aan te pakken.

Aandachtspunten voor het vervolg

Het staat niet ter discussie dat IRM en PAGW nodig zijn om de Natura 2000-opgave in het rivierengebied te kunnen behalen, ook gezien de gevolgen van klimaatverandering. Maatregelen in het rivierengebied dragen ook het risico in zich dat bepaalde leefgebieden (tijdelijk) verdwijnen. Dit is het geval voor foerageergebieden in de vorm van agrarische graslanden voor grasetende watervogels en laagdynamische milieus voor moerasvogels, amfibieën en vissen. Hieronder zijn randvoorwaarden beschreven waarmee bij de verdere uitwerking van het beleid rekening gehouden moet worden.

  • Herinrichting van het rivierengebied gaat ten koste van landbouwgronden wat met name in de Rijntakken tot gevolg zal hebben dat de draagkracht voor grasetende watervogels zal veranderen. Bij de nadere uitwerking van dit beleid in integrale gebiedsontwikkelingen moet hier aandacht voor zijn, waarbij ook binnendijkse gebieden die buiten de Natura 2000-begrenzing vallen betrokken moeten worden. Grasetende watervogels zijn immers gebonden aan voedselrijke graslanden, maar dergelijke foerageergebieden zijn ook buiten het rivierengebied aanwezig. Daarnaast zal ook vanuit ander beleid als Nationaal Programma Landelijk gebied landbouwgrond omgevormd of anders beheerd worden ten behoeve van andere opgaven. Het omvormen van landbouwgrond en de gevolgen voor grasetende vogels komt daarmee niet alleen voor rekening van IRM.

  • Herinrichting heeft ook tot gevolg van de rivier meer invloed krijgt in de uiterwaarden waardoor de rivierdynamiek zal toenemen. Dit is een belangrijke bijdrage aan het oplossen van knelpunten die nu op dit gebied in de uiterwaarden aanwezig zijn. Er zijn echter ook Natura 2000-gebieden waar doelstellingen zijn geformuleerd voor laagdynamische natuur zoals de rietmoerassen in het Rijnstrangengebied en IJsseldelta ten behoeve van moerasvogels als roerdomp. Vanuit PAGW is ook het doel om deze gebieden te behouden en verder te versterken en is daarmee belangrijk voor de samenhang. De aandacht moet dan ook vooral gaan naar de kleinere en tussenliggende laagdynamische gebieden. Soorten als kamsalamander en grote modderkruiper komen hier bijvoorbeeld voor. Bij de verdere uitwerking van de rivierverruiming moet er aandacht zijn voor voldoende laagdynamische milieus die zowel onderling als met binnendijkse gebieden verbonden zijn.

  • In verlengde daarvan biedt de rivierverruiming kansen om voldoende diversiteit in het rivierengebied te ontwikkelen, zodat gewerkt kan worden naar een klimaatrobuust rivierecosysteem. Dit betekent ook dat niet overal dezelfde maatregel getroffen moet worden, maar dat gebiedspecifiek op basis van landschapsecologische processen gekeken wordt welke maatregel zorgt voor de juiste bijdrage aan de Natura 2000-opgave, ook aansluitend bij de DNA van de rivier.

Natuurontwikkeling

Naast de hierboven beoordeelde beleidskeuzes is het stimuleren van robuuste en veerkrachtige natuurontwikkeling in het rivierengebied een belangrijk onderdeel van IRM. Dit komt expliciet terug in het VKA, zoals beschreven in het planMER.

Het Programma Aanpak Grote Wateren (PAGW) richt zich op maatregelen die ten goede komen aan het ecologisch functioneren van de grote wateren op systeemniveau, waar Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water (KRW) de focus hebben op het halen van vastgestelde (juridische) doelen voor gebiedsdelen binnen dit systeem. Maatregelen die nu al zijn benoemd en vastgelegd in het kader van de natuurafspraken tussen rijk en provincie, de KRW en de beheerplannen voor Natura 2000 vormen voor de PAGW een gegeven en een vertrekpunt. Dit is vaststaand beleid en hoeft niet nogmaals in het kader van IRM passend beoordeeld te worden.

Zoals in paragraaf 5.2 'afvoer- & bergingscapaciteit' reeds geconcludeerd kan het omvormen van gronden ten behoeve van een ecologisch robuust riviersysteem ook negatieve gevolgen hebben voor bepaalde Natura 2000-doelen. Dit wordt in het kader van PAGW ook onderkend en hiervoor is aandacht in het Natuurwinstplan en de verdere uitwerking van dit beleid.

Daarmee is er geen aanleiding om in het kader van deze passende beoordeling andere conclusies te trekken.