Gebruikfuncties rivierengebied
Onder het milieuthema gebruiksfuncties rivierengebied vallen de aspecten wonen en werken, recreëren, landbouw, beschikbaarheid drink- en industriewater, stabiliteit oevers en kunstwerken, delfstofwinning en kabels en leidingen.
Wonen en werken
Het effect van het (richtinggevend) voorkeursalternatief op wonen en werken is vooral afhankelijk van de grootte van de waterstandsverlaging ten behoeve van de compensatieopgave. Op de (richtinggevend) VKA kaart is te zien dat op sommige plekken voor de waterstandsverlaging meer ruimte nodig is dan alleen buitendijkse ruimte. Voor de Bedijkte Maas, Midden Waal, Waalbochten, Boven Merwede, Beneden Waal en Middel IJssel zijn er naar verwachting naast buitendijkse ruimte ook barro-reserveringen nodig. Bij de Bergsche Maas, Getijdenmaas, Sallandse IJssel, Beneden-IJssel en de Overijsselse Vecht is de opgave zo groot dat er naast buitendijkse ruimte en barro-reserveringen mogelijk ook aanvullende binnendijkse ruimte nodig is. In deze gevallen heeft het uitvoeren van het (richtinggevend) voorkeursalternatief een negatief effect op zowel buitendijkse als binnendijkse woningen. Omdat in deze fase nog niet bekend is hoeveel waterstandsverlaging precies nodig is en hoeveel ruimte er precies nodig gaat zijn. De uitvoering van het PAGW heeft lokaal een positief effect op de kwaliteit van wonen en de economische waarden van onroerend goed. De werkelijke impact van het (richtinggevend) voorkeursalternatief op het ruimtebeslag van wonen en werken is afhankelijk van nadere uitwerking van het (richtinggevend) voorkeursalternatief.
Ondanks de kansen vanuit de PAGW voor wonen, wordt verwacht dat er een risico is op buitendijkse woningen. Het (richtinggevend) voorkeursalternatief scoort daarmee negatief (-) voor wonen en werken ten opzichte van de referentiesituatie. Deze score geldt voor zowel de Maas als de Rijn.
Recreëren
De werkzaamheden voor het uitvoeren van het (richtinggevend) voorkeursalternatief bieden naar verwachting mogelijkheden voor recreatie. Enerzijds verdwijnen als gevolg van rivierverruimende maatregelen mogelijk bestaande wandel- en fietspaden en andere recreatieve elementen. Echter, de herinrichting van de uiterwaarden biedt ook mogelijkheid tot het geven van een impuls aan recreatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aanleg van wandel-, struin of fietspaden, uitkijkpunten of het bieden van de mogelijkheid tot vis- en vaarrecreatie of pootjebaden in de zomer. Ook door de uitvoering van de PAGW biedt door de toevoeging van nieuwe natuurwaarden lokaal mogelijkheden voor recreatie. Naar verwachting is dit effect groter langs de Rijn, omdat hier drie van de vier prioritaire gebieden van de PAGW liggen. De mate van de positieve impuls is afhankelijk van de grootschaligheid van de werkzaamheden. In deze fase kan er nog geen uitspraak gedaan worden over de grootschaligheid van de werkzaamheden, omdat nog niet duidelijk welke maatregelen als onderdeel van het (richtinggevend) voorkeursalternatief worden uitgevoerd. Naar verwachting biedt het (richtinggevend) voorkeursalternatief een positieve impuls aan recreatie en scoort het (richtinggevend) voorkeursalternatief zeer positief (++) op de Rijn ten opzichte van de referentiesituatie. Het (richtinggevend) voorkeursalternatief scoort positief (+) op de Maas ten opzichte van de referentiesituatie.
Landbouw
Het (richtinggevend) voorkeursalternatief heeft zowel positieve als negatieve effecten op de landbouw. Door het terugbrengen van de bodem naar het niveau van 2000 of het handhaven van de bodem op het niveau van 2020 wordt de grondwaterstand hoger ten opzichte van de referentiesituatie. Dit heeft een positief effect op de zoetwatervoorziening voor het gehele gebied rondom de Rijntakken, en heeft tot gevolg dat de landbouw in geheel Noord- en Oost-Nederland veel minder vaak zoetwatertekorten kent. De druk op de zoetwatervoorziening in het voorzieningsgebied van de Maas wordt niet of nauwelijks verkleind met dit alternatief ten opzichte van de referentiesituatie in 2050. De druk op de zoetwatervoorziening voor de Maas wordt namelijk veroorzaakt door de beperkte toevoer van rivierwater van bovenstrooms.
De realisatie van de PAGW-opgave vraagt om een verandering van het landgebruik in de uiterwaarden. Daarnaast vragen de rivierverruimende maatregelen ook om een zeker ruimtebeslag. De mate van negatieve impact van de uitvoering van de PAGW en de rivierverruimende maatregelen op de (intensieve) landbouw hangt af van de hoeveelheid hectare ecotoopverandering die er gerealiseerd wordt en de ruimte die nodig is voor rivierverruiming. Vanuit de PAGW wordt ingezet op het realiseren van 28.300 ha ecotoopverandering onder andere door omvorming van landbouwgronden (21.000 ha). Een deel van de natuurrealisatie kan mogelijk vormgegeven worden door te kiezen voor minder intensieve vormen van veeteelt, die gepaard kunnen gaan met goede kansen voor natuur en landschap. Hierdoor zou een deel van de landbouw kunnen blijven bestaan.
In het (richtinggevend) voorkeursalternatief wordt de zoetwatervoorziening voor de Rijntakken gelijkwaardig verbeterd, maar is er een groter negatief effect op het ruimtegebruik van de landbouw door de volledige uitvoering van de PAGW en grootschaligere rivierverruimende maatregelen. Het (richtinggevend) voorkeursalternatief scoort daarom negatief (-) voor de Rijntakken. Voor de Maas geldt dat de zoetwatervoorziening niet of nauwelijks wordt verbeterd en is er een negatief effect op het ruimtegebruik van de landbouw wegens de volledige uitvoering van de PAGW en grootschalige rivierverruimende maatregelen. Het (richtinggevend) voorkeursalternatief is daarom (--) beoordeeld voor de Maas.
Beschikbaarheid drink- en industriewater
In het (richtinggevend) voorkeursalternatief is het streefniveau van de rivierbodem rondom het splitsingspuntengebied, de Midden-Waal, Midden-IJssel en Sallandse IJssel het bodemniveau uit het jaar 2000. Voor de overige rijntakken geldt het streefniveau van het jaar 2020. Dit betekent dat er een iets gunstigere situatie ontstaat t.b.v. de waterbeschikbaarheid t.o.v. de referentiesituatie waarin bodemerosie doorgaat, doordat er meer afvoer naar de IJssel en het IJsselmeer gaat dan in de referentiesituatie. Ook worden de kritieke peilen bij inlaatpunten (iets) minder vaak onderschreden. Dit zorgt daarmee voor een kleine verbetering van de beschikbaarheid van drink- en industriewater in het voorzieningsgebied van de Rijn. Het (richtinggevend) voorkeursalternatief scoort daarom positief (+) voor de beschikbaarheid van drink- en industriewater in het voorzieningsgebied van de Rijn. Het uitvoeren van de PAGW-opgave en de klimaatopgave hebben naar verwachting weinig effect op de beschikbaarheid van drink- en industriewater.
Langs de Maas zijn er geen ingrepen voorzien die de beschikbaarheid van drink- en industriewater significant verbeteren. De Maas krijgt daarom een neutrale score (0).
Stabiliteit oevers en kunstwerken
In het (richtinggevend) voorkeursalternatief wordt de bodem op een aantal plekken rondom het splitsingsgebied terug gebracht naar het niveau van het jaar 2000 (zie kaart (richtinggevend) VKA ). Op de overige trajecten wordt als streefniveau het handhaven van de bodem van het jaar 2020 gehandhaafd. De rivierbodemligging zorgt voor een (beperkte) extra gronddruk t.o.v. de referentiesituatie. Om deze reden scoort het (richtinggevend) voorkeursalternatief voor zowel de Rijn als de Maas licht positief (0/+). Het uitvoeren van de PAGW-opgave en de klimaatopgave hebben weinig effect op de stabiliteit van oevers en kunstwerken.
Delfstoffenwinning
In het (richtinggevend) voorkeursalternatief vindt er geen sedimentonttrekking meer plaats in het zomerbed. In het zomerbed vinden in feite alleen baggerwerkzaamheden plaats in opdracht van de overheid. Het komt voor dat naast bagger/slib ook de fijnste zandfranctie ophoogzand meekomt. Dit kan vermarkt worden. Omdat delfstoffenwinning met name plaats vindt in het winterbed, heeft deze maatregel weinig effect op deze industrie. De delfstofwinning in het rivierbed is gebaat bij natuur- en recreatieprojecten, vanwege het maatschappelijk belang (er mag niet zomaar gegraven worden in een uiterwaard). In de referentiesituatie is er nauwelijks aanleiding om te graven in de uiterwaarden, waardoor hier de delfstofwinning tot stilstand komt. Het uitvoeren van de rivierverruimende maatregelen biedt dus veel kansen voor de delfstofwinning ten opzichte van de referentiesituatie. Bij deze werkzaamheden komt relatief veel grond vrij die ergens anders kan worden toegepast. Rivierverruimende maatregelen worden beter betaalbaar als grond herbestemd kan worden. Hierbij moet wel genuanceerd worden dat gewonnen sediment bij uiterwaardvergravingen en nevengeulen mogelijk ook nodig is om de rivierbodem op te hogen. Het (richtinggevend) voorkeursalternatief scoort zeer positief (++) voor de delfstoffenwinning. Deze score geldt voor zowel de Rijn als de Maas.
Kabels en leidingen
Het ophogen van de bodem biedt extra bescherming aan kabels en leidingen ten opzichte van de referentiesituatie, waarin de bodem steeds verder erodeert. Rondom het splitsingspuntengebied wordt de bodem teruggebracht naar het jaar 2000, waarbij op de andere trajecten de bodem uit het jaar 2020 wordt gehandhaafd. Er wordt dus een positief effect verwacht voor de bescherming van kabels en leidingen ten opzichte van de referentiesituatie. De graafwerkzaamheden in uiterwaarden kunnen echter ook een risico vormen voor de kabels en leidingen, doordat er door de werkzaamheden in de grond, kabels en/of leidingen mogelijk verlegd moeten worden. Bij de uitwerking van de rivierverruimende maatregelen dient hier rekening mee gehouden te worden, in dat geval zijn de effecten beperkt. De verlegging is moeizamer wanneer het gaat om cruciale leidingen, zoals gasunieleidingen, olieleidingen of effluentleidingen.
Doordat de situatie voor kabels en leidingen verbetert ten opzichte van de referentiesituatie als gevolg van het ophogen van de bodem scoort het (richtinggevend) voorkeursalternatief positief (+) voor de Rijntakken. In de Maas wordt de bodem enkel gehandhaafd, waardoor het (richtinggevend) voorkeursalternatief licht positief soort (0/+).
Totaalbeoordeling milieueffecten gebruiksfuncties
In onderstaande tabellen is de beoordeling van het (richtinggevend) VKA op gebruiksfuncties in het rivierengebied samengevat.
Tabel 9‑21 Totaalbeoordeling gebruiksfuncties Rijntakken

Tabel 9‑22 Totaalbeoordeling gebruiksfuncties Maas
